Dit is de samenvatting van de 7e bijeenkomst van de Bijbelkring over “Mozes”. Nu we 7 april niet bij elkaar kunnen komen, komt de samenvatting op deze manier voor jullie beschikbaar.

Lees hem rustig door en ook de Bijbelgedeelten onderaan de samenvatting.

De Heere zegene het en Hij behoede jullie. Bij Hem kun je schuilen!

Bijeenkomst 7 : Mozes op de berg

De vorige keer eindigden we de samenvatting met: Mozes volgt de raad van zijn schoonvader op en de woorden van zijn schoonvader klinken na in zijn oren: “wees gij voor het volk bij God.” Mozes ziet de berg Sinaï voor hem en dan neemt hij een besluit. Hij wendt zich van het volk af en klimt op tot God.

Direct komt er een reactie van de Heere God: “En de HEERE riep tot hem van de berg.” (Ex. 19 : 3m)

Mozes krijgt de opdracht om aan het volk te zeggen dat zij drie dagen de tijd hebben om zich voor te bereiden op een ontmoeting met God. Ze moesten zich heiligen en hun kleren wassen. En ze moesten op een bepaalde afstand van de berg blijven. Wie de berg zou aanraken, zou niet blijven leven. En toen, op de derde dag, toen het morgen werd, gebeurde het: “En het geschiedde op de derde dag, toen het morgen was, dat er op de berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid van een zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was.”

Dan gaat Mozes, als leider, naar het volk toe en wenkt ze dichterbij te komen. Schoorvoetend volgen ze hem tot aan de voet van de berg. “En de ganse berg Sinaï rookte, omdat de HEERE op die berg neerkwam in vuur; en de ganse berg beefde zeer”. En te midden van dat tumult spreekt Mozes met God en antwoordt God hem (vers 19).

Voor de derde keer roept God Mozes naar de bergtop en klimt hij naar boven (vers 20). Weer krijgt hij de boodschap mee, dat ze de berg niet mogen aanraken noch beklimmen (vers 21). Als Mozes van de berg is afgedaald en dit opnieuw aan het volk heeft gezegd, wacht het volk in spanning op wat nu gaat gebeuren.

“Toen sprak God al deze woorden”, als een persoon, die zich voorstelt: “Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.” Wat een indruk moet dat hebben gemaakt! Dan geeft God aan Zijn volk tien geboden. Die tien geboden hebben we vorig jaar in de Bijbelstudie één voor één behandeld.  Dat laat ik nu even rusten. Dan zwijgt de stem.

Vol ontzag siddert het volk onder de donderslagen, de bliksemstralen, het geluid van de bazuin en de rokende berg. Ze beven en blijven van verre staan en zeggen tegen Mozes: “Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven!” Mozes wordt hier door het volk gevraagd om als bemiddelaar op te treden. Daarmee is Mozes een voorbeeld van de Heere Jezus, zoals Paulus zegt: “Want er is één God, er is ook één Middelaar tussen God en de mensen, de Mens Christus Jezus.” (1 Timotheüs 2 : 5)

Toen zei de HEERE tot Mozes: Kom tot Mij op de berg, en wees aldaar; en Ik zal u stenen tafelen geven, en de wet, en de geboden, die Ik geschreven heb, om hen te onderwijzen”. (Exodus 24 : 12)

Dan klimt Mozes weer omhoog. Hij nadert tot de wolk, die op de Sinaï rust, de wolk waarin God is. (vers 15) Verder dan tot aan de wolk is hij in het verleden nooit geweest. Dan wacht hij tot God zal spreken. Hij moet lang wachten. Niet één uur, niet één dag, maar zes dagen en op de zevende dag roept God tot Mozes uit het midden van de wolk (vers 16). De verschijning van de heerlijkheid van de Heere God is “als een verterend vuur” op de top van de berg (vers 17).

We weten niet wat God geroepen heeft, maar Mozes gaat “in het midden van de wolk” (vers 18). Dichterbij kon niet. Maar juist in die intieme omgang met God ontvouwt de Heere God aan Mozes Zijn verlangen om ook het volk Israël dicht bij Zich te hebben. Staat het volk van verre, dan wil God bij hen neerdalen en in hun midden wonen. “En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone.” (Exodus 25 : 8) Mozes krijgt van God de opdracht om een ‘tabernakel’, een tent van samenkomst, te maken, waar God wil wonen bij Zijn volk. Later is de tempel in de plaats van de tabernakel gekomen.

Mozes is een periode van bijna zes weken op de berg geweest. De Heere heeft hem getoond hoe hij de tabernakel en wat daarin moest komen, moest maken. Hij heeft hem verschillende wetten doorgegeven, die ze moesten onderhouden om als volk goed te kunnen functioneren en hoe ze hun God moesten dienen. Ook maakte de Heere God de twee stenen tafels met de voornaamste geboden  (de 10 geboden) als teken van het (gesloten) verbond tussen God en Zijn volk.

Mozes had, toen hij opnieuw de berg opging, de leiding over het volk overgedragen: “En hij zei tot de oudsten: Blijft gij (op) ons (wachten) hier, totdat wij weer tot u komen; en ziet, Aäron en Hur zijn bij u; wie enige zaken heeft, zal tot hen komen”. (Exodus 24 : 14) De eerste tijd ging alles goed in de legerplaats. Het volk was nog diep onder de indruk van Gods verschijning op de Sinaï en ook van Mozes, die de berg (toch maar) weer had beklommen en de wolk was ingegaan. Vol ontzag keken ze naar boven: daar was God en daar was Mozes.

Maar, aan alles raak je gewend. De eerbied nam af en het ongeduld nam toe. Waarom hoorden ze niets meer van God en waar bleef Mozes toch? Ze konden hier toch niet eindeloos blijven wachten. Ze moesten toch naar Kanaän! Maar zonder Mozes verder kon eigenlijk ook niet. Waar bleef hij nou? Wat heb je aan een man die je niet (meer) ziet? Wat heb je aan een God, Die je niet ziet? Met die vragen en in die stemming gaan ze naar Aäron: “en zij zeiden tot hem: Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want deze Mozes, die man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied is.”  (Exodus 32 : 1)

Wat er op dat moment door Aäron is omgegaan, is niet precies te zeggen. Was hij bang voor het volk? Of wilde hij hen niet teleurstellen? Of had hij niet verwacht dat het volk bereid was hun sieraden af te staan? Of doorzag hij niet wat er gaande was? Wat ging er door hem heen toen het gouden kalf er eenmaal stond en het volk zei: “Dit zijn uw goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben.” (vers 4) Heeft hij toen wel begrepen dat dit dwars tegen het eerste en tweede gebod indruiste? Heeft hij toen maar vlug een altaar gebouwd en dat voor het gouden kalf geplaatst en uitgeroepen: “Morgen zal de HEERE een feest zijn!”

Eén ding is zeker: Aäron kende God niet zoals Mozes Hem kende. En omdat hij God (nog) maar weinig kende, kon hij niet goed onderscheiden tussen God en afgoden. Toen dan ook de volgende morgen vroeg brandoffers en dankoffers werden gebracht, was het voor Aäron een feest voor de Heere (vers 5 en 6)

En Mozes? Terwijl het volk feestvierde, was Mozes voor Gods aangezicht en “toen sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, klim af! want uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven. En zij zijn haast afgeweken van de weg, die Ik hun geboden had, zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt; en zij hebben zich voor hetzelve gebogen, en hebben het offerande gedaan, en gezegd: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben.” (vers 7 en 8)

Wat een uitwerking moeten deze woorden op Mozes hebben gehad. Veertig dagen was hij in de tegenwoordigheid van God geweest. God was nog niet uitgesproken, of in de woestijn danst het volk al rondom een afgod. Terwijl Mozes dit probeert te verwerken, hoort hij God zeggen: “Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk! En nu, laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontbrandde, en hen vernietige; zo zal Ik u tot een groot volk maken.” (vers 9 en 10)

Mozes schrikt, zoekt de gunst van God en gaat pleiten voor het volk. Hij zegt: Het is niet mijn volk, maar Uw volk (vers 11). Wat zullen de Egyptenaars wel niet zeggen, als ze het horen? (vers 12) Gedenk aan wat U beloofd hebt aan Abraham, Izak en Jakob! (vers 13). Als God zijn pleidooi hoort, krijgt hij berouw over het kwaad wat Hij gezegd had het volk te zullen aandoen (vers 14). Pas dan durft Mozes zich om te keren en de berg af te dalen (vers 15).

Naarmate hij dichterbij komt, hoort hij het gejoel en ziet hij het dansende volk. Hij kijkt van het volk naar de stenen tafelen in zijn hand en in toorn werpt hij ze op de grond en verbrijzelt ze. Dan neemt hij het gouden kalf en verbrandt het met vuur. Wat overblijft, vermaalt hij tot het klein wordt en strooit het op het drinkwater (vers 19 en 20).

De volgende dag spreekt Mozes het volk toe: “Gijlieden hebt een grote zonde gezondigd; doch nu, ik zal tot de HEERE opklimmen; misschien zal ik een verzoening doen voor uw zonde.” (vers 30) Misschien, zegt hij. Want hij zal zich afgevraagd hebben of er wel iets is, wat groot genoeg zal zijn om God weer met het volk te verzoenen. Hoe onzeker zal hij zijn geweest, toen hij de berg opklom en eenmaal (weer) bij God gekomen, zegt hij : “Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben”.(vers 31) Dan lijkt het alsof hij even stopt, dat onzekerheid zijn hart bekruipt. Maar dan geeft hij voor zijn volk alles wat hij te geven heeft, namelijk zijn eigen leven en zegt tegen God: “Nu dan, indien Gij hun zonden vergeven zult! doch zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt”. (vers 32)

Mozes is hier een voorbeeld van de Heere Jezus. Hij wordt niet voor niets Bemiddelaar of Middelaar genoemd. Ook Hij cijferde Zichzelf helemaal weg. Ook Hij kwam met de zware last van de zonden van Zijn volk tot God Zijn Vader. Zijn gebed tot Zijn Vader kunnen we lezen in Johannes 17. Zijn voorbede is nog veel ontroerender dan die van Mozes.

Johan heeft in 2017 hier een toespraak over gehouden en hij eindigt zijn samenvatting met onderstaande. Zo mooi als hij het zegt, kan ik het niet verwoorden. Dus daarom dit citaat uit de samenvatting van de toespraak van hem.

‘Mozes kon niet in plaats van zijn volk sterven. De Heere Jezus is wel in plaats van Zijn volk gestorven.

Hij boette voor hun zonden aan het kruis. Lees in de Bijbel het ontroerende Jesaja 53. Christus is gestorven in de plaats van allen die in Hem geloven of zullen gaan geloven. Het is de Heilige Geest Die mensen overtuigt van hun zonden. Diezelfde Geest brengt mensen tot geloof in Christus. Hem krijgen ze lief. Voor Hem willen ze leven. Als het kon, zonder zonden.    

Uit deze geschiedenis zien we wie een mens is en blijft: hardnekkig en ongelovig. Zelfs als we de Heere mogen kennen met ons hart.

Zullen we deze Israëlieten niet te ver weg zoeken? Deze ‘Israëlieten’ zitten bij jou en mij van binnen. Wat een gouden kalveren hebben wij die we aanbidden. Voor de één is dit z’n studie of werk of z’n tweede huis of z’n auto. Voor velen is hun lichaam en seks hun gouden kalf. Wat een afgoden zijn dat. Zelfs je elektrische fiets en/of auto kan een gouden kalf zijn, of je borreltje en sigaretje.  

Wat een gouden kalveren hebben we aan sporthelden, aan voorgangers en/of aan kerken en groepen. We dansen wat af. Iedereen op z’n eigen melodie. Ik las dat de nieuwe IPhone 8 of X door sommigen een gouden kalf, een afgod wordt genoemd. Over moderne gouden kalveren gesproken…

Weet je: eigenlijk is alles een gouden kalf waar we teveel tijd en energie in steken. Iets wat we buiten de Heere meer eer geven dan aan Hem. Denk niet dat je vrijuit gaat. Iedereen staat hieraan schuldig. 

Het grootste gouden kalf zijn we zelf. Wat een afgod is dat. We dansen wat af om onze eigen eer. Hoe dan ook: jij en ik komen er niet best vanaf. Wat een schuld voor de Heere en elkaar.

Kom, laat je gouden kalveren eens wat meer met rust. Gebruik je tijd voor nuttige dingen. Belijd de Heere je schuld in dezen en zoek de Middelaar bij uitstek, Jezus. Nog steeds bidt Hij bij Zijn Vader voor allen die het zonder Hem niet meer kunnen stellen (Hebreeën 7:25).

Het is van tweeën één. Je aanbidt een gouden kalf of de Heere. Aanbid Christus. Hij heeft een gouden kroon op Zijn hoofd als teken van heerlijkheid en macht (Openbaring 14:14). Hij geeft je een wijze raad: ‘De Heere, uw God zult u aanbidden en Hem alleen eren’ (Mattheus 4:10).’

 

De Bijbelteksten die bij dit gedeelte horen, zijn:

Exodus 19 en 20 – Exodus 24 : 12 - 18

Exodus 32 : 1 – 3  - Johannes 17 en Jesaja 53