Dit is de samenvatting van de 8e bijeenkomst van de Bijbelkring over “Mozes”. Nu we 21 april niet bij elkaar kunnen komen, komt de samenvatting op deze manier voor jullie beschikbaar.

Lees hem rustig door en ook de Bijbelgedeelten onderaan de samenvatting.

De Heere zegene het en Hij behoede jullie. Bij Hem kun je schuilen!

Bijeenkomst 8 : Mozes voor Kanaän

Het volk Israël dat bevrijd is uit Egypte, is op weg naar het land Kanaän.

Het beloofde land. Ze hebben die bevrijding groots gevierd (Exodus 15).

Hoe is het volk Israël met de bevrijding omgegaan? Je leest niet van dankbare tonen. Integendeel. Ze zijn aan het murmureren. Aan het mopperen.

Niet zomaar een beetje, meer heel heftig. Waarom?

Na een reis van ongeveer een jaar zijn ze aan de grenzen van het beloofde land gekomen.

Na een moeizame tocht door die grote  en vreselijke woestijn kwamen ze in Kades-Barnea (Deuteronomium 1:19). Een prachtige en heel grote oase met veel bomen en veel water. Een plaats om van te genieten na die vreselijke woestijn. Maar deze oase was niet bedoeld om daar te blijven; ze moesten immers naar het beloofde land! Daarom zegt Mozes tot het volk: ‘Gij zijt gekomen tot het gebergte der Amorieten, dat de HEERE, onze God, ons geven zal. Ziet, de HEERE, uw God, heeft dat land gegeven voor uw aangezicht; trekt op, bezit het erfelijk, gelijk als de HEERE, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft; vreest niet, en ontzet u niet’. (Deut. 1: 20 en 21)

Maar voor die uitdaging schrikt het volk terug. Dat durven ze zo maar niet. Maar dat geven ze liever niet toe, dus zeggen ze: ‘Laat ons mannen voor ons aangezicht heenzenden, die ons het land verkennen, en ons verslag uitbrengen, wat weg wij daarin optrekken zullen, en tot wat steden wij komen zullen.’ (vers 22). Mozes vindt dat goed en God zegt hem ook dat te doen (Numeri 13:1). Maar het idee kwam niet van God en ook niet van Mozes, maar van het volk. Helaas, want hiermee geven ze aan meer op het bericht  en de conclusie van de erop uitgestuurde mannen te vertrouwen, dan op de hulp van de Heere God. Mozes stuurt twaalf verspieders eropuit. Ze moeten poolshoogte gaan nemen in het beloofde land. Na veertig dagen komen de mannen terug en brengen verslag uit.

Het is een prachtig, rijk en vruchtbaar land. Ze hebben zelfs een aantal vruchten meegenomen om dat te bewijzen, waaronder een grote tros druiven die ze met z’n tweeën aan een draagstok dragen.

Het verslag van de twaalf mannen is gelijkluidend: ‘Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar, het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijn vrucht. Behalve dat het een sterk volk is, hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; wij hebben ook daar de reuzen gezien.’ (Numeri 13: 27,28 en 32) En dan komt de conclusie, maar die is niet gelijkluidend!

Twee zeggen: ‘Laat ons vrijmoedig optrekken, en dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat voorzeker overweldigen! Vreest gij niet het volk dezes lands; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en de HEERE is met ons; vreest hen niet!’ (Numeri 13 : 30 en 14 : 9) En tien zeggen: ‘Dat land, door hetwelk wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, hetwelk wij in het midden van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van grote lengte. en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.’ (Numeri 13: 32 en 33)

Dan kan het volk kiezen met welke conclusie ze het eens zijn. Dat wordt al gauw duidelijk. Ze kiezen voor de tien, die zo naar de omstandigheden kijken, dat ze van God niet veel meer kunnen zien. Ze wenen in die nacht; ze morren en klagen en willen een andere leider kiezen om terug te gaan naar Egypte (Numeri 14: 1-4). Terwijl; Mozes en Aäron zich op hun aangezichten werpen ten aanschouwen van het volk, proberen Jozua en Kaleb (de twee andere verspieders) het vpolk nog tot andere gedachten te brengen. Ze trachten ze duidelijk te maken dat ze eerst op God moeten zien en dan op de omstandigheden. Ook Mozes probeert dat, maar het help niet. Integendeel, het volk wil hen stenigen. Dan grijpt God in: ‘En de HEERE zei tot Mozes: Hoe lang zal mij dit volk tergen? En hoe lang zullen zij aan Mij niet geloven, door alle tekenen, die Ik in het midden van hen gedaan heb? Ik zal het met pestilentie slaan, en Ik zal het verstoten; en Ik zal u tot een groter en sterker volk maken, dan dit is.’ (vers 11 en 12).God wil Mozes maken tot een nieuwe Noach of een Abraham. Een eenling met wie God opnieuw begint. Maar dat is niet wat Mozes wil. Het gaat hem niet om eigen belang of geluk. Gods eer en het behoud van het volk is hem veel kostbaarder.

Mozes wordt weleens de ‘middelaar’ van het Oude Testament genoemd. Hierin is hij een voorbeeld van de Middelaar van het Nieuwe Testament Jezus. Het is alleen door het gebed van Jezus, dat Gods kinderen niet verloren gaan. Wat een noodzaak om in Jezus te geloven.

De Israëlieten krijgen wel een andere straf. Ze moeten nog veertig jaar in de woestijn zwerven. Bovendien zullen alle mannen vanaf twintig jaar sterven in de woestijn. Die zullen niet in het beloofde land komen. Behalve twee: de verspieders Jozua en Kaleb. De andere dag moeten ze vertrekken. Rechtsomkeert naar de Schelfzee. Maar dat willen ze niet. Nu willen ze plotseling wel het beloofde land in. Nu het te laat is. Dan maar zonder God. Ze trekken op tegen de vijand, zonder de ark, zonder Mozes en zonder God en ze worden verslagen. Als ze terugkeren, wenen ze voor Gods aangezicht, maar de HEERE luistert niet (Deuteronomium 1: 43-45). Uiteindelijk wenden ze zich om en gaan de woestijn weer in. Met in het vooruitzicht veertig jaar rondzwerven. En hun leider gaat weer mee. Zo trekt Mozes de komende veertig jaar verder met het volk. Overal waar ze komen laten ze een spoor achter van graven en dat kwam door hun ongeloof en hun voortdurende ongehoorzaamheid. Zoals God hun had toegezegd: ‘….totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn.’ (Numeri 14: 33). De hele generatie boven de twintig jaar laat Mozes achter in de woestijn en een jonge generatie groeit op. Deze generatie wordt door God voorbereid om straks wel het beloofde land binnen te gaan. Ze zien op tegen hun leider, Mozes of beter gezegd: ze zien in Mozes hun God.

 

De Bijbelteksten die bij dit gedeelte horen, zijn:

Deuteronomium 1

Numeri 13 en 14