zondag 26 november 2017

Een dringende oproep - Handelingen 3: 19a

Samenvatting toespraak zondagmorgen, 26-11-2017. Voorganger ouderling J.H.C. Kooijman. 
Thema toespraak: ‘Een dringende oproep’ n.a.v. Handelingen 3: 19a

Wat een wonder: een kreupele man, die nog nooit op zijn voeten had gestaan, gaat de voorhof van de tempel binnen. Hoor, hoe hij zingt. Hij looft God. Hij maakt de Heere groot. Er is een wonder gebeurd. Al die mensen, die op het uur van het gebed daar samengekomen zijn in de voorhof van de tempel, hebben het gezien. Die kreupele kenden ze wel. Dagelijks zat hij in de poort te bedelen. Nu zien ze dezelfde man op zijn voeten staan en wandelen. Ze komen rondom de apostelen Petrus en Johannes staan. Ze zien op Petrus en Johannes. Ze wachten als het ware op een verklaring van het wonder dat ze hebben gezien. Petrus voelt dat dit een moment is wat de Heere geeft om aan de mensen het woord van God te verkondigen. Wat ziet gij zo sterk op ons? vraagt Petrus aan de mensen. “Dit wonder is niet door onze kracht, is niet door onze naam geschied. Nee, niet door ons.” Zegt Petrus. En dan gaat hij het uitleggen, dan gaat hij het wonder uitleggen. Hij gaat wijzen op de Naam van de Heere Jezus Christus. Door het geloof in Zijn Naam is deze man gezond geworden. Uit de woorden van de profeten maakt Petrus zijn hoorders duidelijk dat Jezus de eeuwige Zoon van God is. Jezus, Die voor Pontius Pilatus heeft gestaan, ze hebben Hem verloochend, gekruisigd en gedood. Maar op de derde dag is Hij wederom opgestaan van de doden. Christus is de Levende! Dat Hij leeft is te zien in de gezondmaking van die kreupele man. Het bewijs dat Jezus leeft zien we in het wonder aan die kreupele man geschied. 

Twee woorden
Dan gaat Petrus op zijn hoorders aandringen. Hij gaat een appèl doen op het hart van zijn hoorders. Hij gaat het toespitsen: nu dan broeders, betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden. Als Jezus leeft, als het eeuwig waar is dat Hij de Zoon van God is, dan moeten zij zich beteren en bekeren. In de Griekse taal zijn er twee woorden voor bekering. Petrus gebruikt die twee woorden die de Griekse taal kent in onze tekst. Het eerste woord is vertaald met: betert u dan. En het tweede woord is vertaald met: bekeert u. Die twee woorden hebben een rijke inhoud.

Betert u
Zich beteren betekent een verandering van hun denken. Een verandering van inzicht. Een verandering in het hart van de mensen. Een vernieuwing van het hart van het binnenste. Dat is de betekenis van dat eerste woord wat Petrus hier gebruikt. Betert u. Er moet een nieuw inzicht geboren worden in het leven van deze mensen. Want ze hebben de Heere Jezus verloochend, ze hebben Hem verworpen, ze hebben gedacht dat Hij een dwaalleraar was. Ze hebben niet verstaan dat Hij de Messias is. Maar nu hebben ze gezien dat Jezus wonderen werkt, door Zijn apostelen. Daarom moet hun denken veranderd worden. 
Dat hebben wij allemaal nodig. Dat ons denken, ons hart en ons leven wordt veranderd. Ook voor ons is nodig wat Petrus hier predikt: betert u dan. Ook wij hebben een nieuw inzicht en een nieuw kennen nodig. Een kennen door Gods Geest gewerkt. Een kennen van God Zelf is nodig. En een waarachtig kennen van de Heere Jezus is nodig. Van nature kennen wij God niet. Wij moeten gebeterd worden, we hebben een nieuw kennen van God nodig met ons hart. Want God is veel heiliger dan wij ooit bedenken kunnen. Hij is veel barmhartiger dan wij ooit bedenken kunnen. We hebben vaak zulke verkeerde gedachten over God. Dan denken we bijvoorbeeld dat het zwaar en moeilijk is om God te dienen. Maar we hebben nieuwe gedachten nodig over God én over onszelf. We hebben nodig onszelf te leren kennen, want zoals we geboren zijn missen wij de kennis van onszelf. Net als die schare daar in de tempel.

Hoe moet dat?
Kennen wij dat? Dat het zo veranderde in ons hart en in ons leven? Dat er Godskennis en zelfkennis werd geboren? Dat is wat Petrus hier verkondigt. De noodzaak van het: betert u dan. Het komen tot onszelf, een kennen van God en een kennen van onszelf. Een kennen wat altijd samengaat met smart, met berouw over de zonde. 
God kennen, jezelf kennen, met een diepe verslagenheid, met een smart met een droefheid over de zonde naar God. Een schreien over de zonde. Betert u dan. Een nieuw kennen van God, een nieuw kennen van onszelf, maar ook een kennen van de Heere Jezus. 
Betert u dan. Het is samengevat ten eerste een zien dat we gezondigd hebben en het is ten tweede een voelen dat we gezondigd hebben. Zien dat we gezondigd hebben dat is een overtuiging van zonde, voelen dat we gezondigd hebben is boetvaardigheid, dat is de droefheid over de zonde. En die dingen heeft Petrus gepredikt, als hij dat eerste woordje voor bekering gebruikt dan leert hij de noodzaak van het zien en het voelen dat we gezondigd hebben tegen God.


Bekeert u 
Betert u dan, en bekeert u. 
Gemeente, het tweede is het gevolg van het eerste. Eerst is daar die verandering in het binnenste van de mens. En het gevolg is de bekering, de verandering van het leven, een verandering van de richting van de mens.
Van nature staan we met onze rug naar God toe en bewandelen we onze eigen weg. Dan vaart de mens zijn eigen koers, dat is de brede weg die naar het eeuwig verderf leidt. Maar als God het hart gaat beteren, veranderen, is het gevolg daarvan de bekering. Wat een gezegende verandering. Als daar is een zich afkeren van de zonde en van de wereld, met berouw en met strijd; opstaan om afscheid te nemen van dat oude leven en een verlangen om de Heere te dienen, te vrezen en te wandelen in Zijn wegen. En ook een zoeken en een vragen naar de Heere Jezus, naar de Zaligmaker, van Wie het Evangelie zegt dat Hij de Weg, de Waarheid en het Leven is. Om Hem te mogen kennen in Wie de eeuwige zaligheid is. Dan leeft het in je hart: Tot Wie zullen wij anders heengaan? Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. Een verandering van je hart, van je gemoed, van je diepste binnenste en als vrucht daarvan ook een verandering van je leven.

Zonden uitgewist!
Betert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden. Petrus verkondigde de noodzaak van de bekering dringend en ernstig. Maar hij wees ook de weg van de vergeving van de zonde. Hij predikte de genade die er bij God in Christus is. Hij spreekt van zonden die uitgewist mogen worden. Wat een rijke boodschap. Zonden uitgewist, dat is een heel sterk woord. Uitgewist, dat is sterker dan bedekt. Als je ergens een kleed overheen legt, dan is het bedekt, dan kun je niet meer zien wat er onder ligt. Het is bedekt, maar er ligt nog wel wat onder. Uitgewist is nog sterker dan bedekt. Helemaal weg, uitgewist. Een voorbeeld: denk eens aan de markt in het oude Oosten. Daar zien we de koper en de verkoper in gesprek met elkaar. Ze onderhandelen over de prijs. Er moet gerekend worden over de prijs. Het wordt opgeschreven. En hoe deden ze dat vroeger in het oude Oosten? Daar gebruikten ze een schrijftafeltje voor. Zo’n schrijftafeltje werd bestreken met was, daar werd in geschreven. Als de koper het geld had betaald, als er was afgerekend, wat deed de verkoper dan? Nu schrijven ze op de rekening: betaald. Maar vroeger werd de rekening uitgewist. Alles wat er geschreven was op dat schrijftafeltje werd uitgewist. Dan zag je er niets meer van terug. 
En dat sterke woord wordt hier door Petrus gebruikt. Betert u dan en bekeert u, opdat… Dat is het doel. Opdat uw zonden mogen uitgewist worden. Het ziet op de vergeving van zonden. Vergeving bij God, een volkomen vergeving. Door dat reinigende bloed van Zijn Zoon de Heere Jezus wordt het handschrift van de zonde uitgewist.  

En wij?
Hebben wij het gezien? Hebben wij gevoeld dat het handschrift van de zonde tegen ons getuigde? Dat het ons aanklaagde bij God? Dat ons geweten ons veroordeelt? Dat we het moesten belijden: Heere, ik heb gezondigd. Onze gebeden, onze beste werken, niets wat van ons is, kan dat handschrift van de zonde uitwissen. Maar o wonder! De Heere kan het en doet het door dat dierbare bloed van Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus. En in de nood van je leven doet God het ondervinden: maar ons weerspannig overtreden verzoent en zuivert Gij. Dan mogen we zien hoe op de kruisheuvel van Golgotha het handschrift van de zonde, wat tegen ons getuigde, aan het vloekhout is genageld en dat het bloed van Christus is vergoten tot een volkomen verzoening voor al onze zonden. Dat Hij om onze overtredingen is verwond en dat Hij om onze ongerechtigheden is verbrijzeld. Ja, dat de straf die ons de vrede aanbrengt op Hem is geweest. Dan gaan we er iets van verstaan, van dat wonder: opdat uw zonden mogen uitgewist worden. 
Dat hebben wij nu allemaal nodig: u, jij en ik. Wij allemaal hebben nodig dat onze zonden uitgewist worden. Hoe krijgen we daar nu deel aan? Petrus wijst ons de weg. In de weg van: betert u dan en bekeert u. Dat is de weg tot de vergeving van de zonden. Maar, antwoordt iemand, wij kunnen onszelf toch niet beteren? Wij kunnen onszelf toch niet bekeren? Nee, dat kunnen en dat willen wij niet. Hemelhoog is hier onze schuld. Maar kijk nog eens naar Handelingen 3, die kreupele man, die bedelaar, al ouder dan veertig jaar, had hij kracht in zichzelf om op zijn voeten te staan, te wandelen en de voorhof van de tempel binnen te gaan? Nee. En net zomin als die kreupele man hebben wij in onszelf de kracht om ons te beteren en om onszelf te bekeren. En toch, die kreupele, zie, hij staat, hij wandelt! Het wonder is gewerkt door de kracht van de Naam van Jezus Christus. Daarom: wat onmogelijk is bij mensen, dat is mogelijk bij God. Christus leeft om te geven de bekering en de vergeving van onze zonden. Zie op Hem, zegt Petrus. Verwacht het van Hem, Die leeft, Wiens Naam is Wonderlijk. 
Betert u dan, en bekeert u. Amen.