zondag 3 december 2017

Elia op de Karmel - 1 Koningen 18 : 20 - 40

Samenvatting toespraak zondagmorgen, 3-12-2017. Voorganger ouderling M.Bezuijen. 
Thema toespraak: ‘Elia op de Karmel’ n.a.v. 1 Koningen 18 : 20 - 40

De profeet Elia heeft de Israëlieten, koning Achab en de priesters van Baäl bevolen naar de berg Karmel te komen. 
Daar aangekomen, doet Elia allereerst een beroep op het geweten van het volk. 
Elia zegt tot hen: ‘Hoelang hinkt u op twee gedachten? Zo de HEERE God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na.’
Wíe is God? Is de HEERE God, of Baäl? Want je kunt niet tegelijkertijd God dienen en de Baäl! God en de afgoden, God en de zonde.

Kan het echt niet beiden? Blijkbaar dachten veel mensen toen dat dat wel kon. Een beetje God, een beetje Baäl. Een compromis sluiten, dus. Dat past ook zo goed in deze tijd. Niet zo scherp zijn. Maar groter tegenstelling tussen de God van de Bijbel en de Baäl van deze tijd is niet denkbaar. Het is of de één, of de ander. De profeet Elia zegt tot het volk: ‘Kies héden wie u dienen wilt!’ Is de HEERE God? Volg Hem dan na! Is het Baäl? Volg dan Baäl! Hoelang hinkt u op twee gedachten? Wie gaat u dienen?
Het is de eerste vraag die God aan deze mensen, maar ook aan u stelt: Wie wilt ú dienen en volgen?
En wat is het antwoord van de Israëlieten? Niets… Er komt geen antwoord. Ze willen niet kiezen, want kiezen is breken! Breken met de één, of breken met de ander. En dus… zeggen ze niets.

En daarom doet de profeet Elia nog iets anders. Hij doet ook een beroep op het verstand. 
Elia doet het volk een voorstel: ‘Dat men ons dan twee varren (jonge stieren) geve, en dat zij voor zich de ene var kiezen, en denzelve in stukken delen, en op het hout leggen, maar geen vuur daaraan leggen; en ik zal de andere var bereiden, en op het hout leggen, en geen vuur daaraan leggen. Roept u daarna de naam van uw god aan, en ik zal de Naam des HEEREN aanroepen; en de God, Die door vuur antwoorden zal, Die zal God zijn.‘

Het volk vindt dat goed. Baäl is immers niet alleen de god van de regen, maar hij is ook de god van het vuur. De 450 Baälpriesters zijn het eerst aan de beurt. Ze nemen een jonge stier en maken hem klaar. En dan gaan ze roepen, urenlang: ‘Baäl, antwoord ons!’ Maar er gebeurt niets. Ze doen hun uiterste best: ze springen, ze dansen, maar er komt geen vuur. 
Elia spot met hen en zegt: ‘Weet je wat, mensen, je moet een beetje harder roepen! Baäl hoort je niet. Misschien zit hij wel diep na te denken, misschien is hij wel op reis gegaan, misschien doet hij net een dutje...’
Let op. Dit is geen persoonlijke aversie van Elia. Hij spreekt hier publiek als boodschapper van God. Hij geeft woorden van God door: God Zelf spot met andere goden, met afgoden!
Nog harder gaan de Baälpriesters schreeuwen. Ze beginnen te profeteren, ze snijden en beschadigen zichzelf. Maar het is allemaal tevergeefs.
Die andere god die je dient, hoe hij of zij ook heet (geld, kennis, carrière, relatie of plezier?), die andere god zal je, als het erop aankomt, geen antwoord geven! Hoe hard je ook roept. Gebruik je verstand en denk daar toch over na.
En dan, op het moment dat het spijsoffer, het avondoffer geofferd gaat worden in de tempel in Jeruzalem, gaat God ingrijpen.
Zie hoe God die zegen, die regen gaat geven aan dit volk, dat met Hem en Zijn dienst gebroken heeft. En als je daarnaar kijkt, naar het feit dat zij met God gebroken hebben, dan zie je een wonder! Is het soms vanzelfsprekend dat dit volk op de Karmel nog leeft? Is het vanzelfsprekend dat u nog leeft? Was het niet rechtvaardig geweest als er vuur van de hemel gekomen was om deze afgoden dienende mensen te verteren?

Dat het verder gaat is een teken en bewijs van het eenzijdige geduld van de God van Israël. Van die God, die heilig is. En die van Zichzelf heeft gezegd dat Hij een verterend vuur is en een eeuwige gloed, bij Wie niemand wonen kan. Maar toch wil die heilige God, vanwege Zijn welbehagen en geduld niet van dit volk af. En dus doet Hij een indringend beroep op hun hart. En zo ook vanmorgen op uw hart…


En dat is het derde wat Elia doet. Hij doet een beroep op het hart. 
Elia zegt tot het hele volk: ‘Kom dichterbij, mensen. U zegt dat u God dient, maar kijk eens goed! Zie je dat puin? Daar stond het altaar van de HEERE. Maar u hebt er een ruïne van gemaakt. God is heilig! En kijk! Dat hebt u gedaan! Een puinhoop gemaakt van de dienst van de Heere! Ik doe een beroep op uw hart! Nee, niet wegkijken! Kijk, naar uw leven. Kijk, naar wat u gedaan hebt. U moppert wel dat er geen regen is… U zegt wel dat God u niet hoort, terwijl u al levenslang naar Hem zoekt en naar Hem vraagt… Maar dat is niet waar! Dat is niet oprecht! Kijk, daar! Een verbroken altaar… Daar komt het door!
En als je dat ziet, dan gaat het ineens niet meer over de regen. Als je dat verbroken altaar ziet, dan gaat het ineens over iets anders, dan gaat het over wij, over ik, tegenover de heilige en rechtvaardige God. 
Elia herstelt het altaar. Met twaalf stenen bouwt hij het altaar in de naam des HEEREN. Om het altaar graaft hij een geul. Elia legt hout en het in stukken gedeelde offerdier op het altaar. En dat alles wordt op bevel van Elia kletsnat gemaakt. Zo nat, dat zelfs de gegraven geul wordt gevuld met water.
En op het moment dat het avondoffer in de tempel van Jeruzalem gebracht wordt. Op dat moment nadert Elia en bidt. Pleitend op Wie God is. Op Gods trouw aan Zijn volk. Pleitend op Zijn verbond met Abraham, Izak en Israël. Het enige fundament van hun bestaan. Pleitend op Gods macht en opperheerschappij: U bent toch God! Toon dan Uw macht en Uw majesteit. Laat zien, HEERE, dat U zo getrouw bent als sterk. Elia bidt, en dat is zijn doel, om de eer en de heerlijkheid van God. Toon, HEERE, dat U God bent. En dat U hun hart achterwaarts omgewend hebt, dat wil zeggen: dat U hen terug gebracht hebt in het goede spoor.
Hier zien we dat het krachtig gebed van een rechtvaardige veel vermag. Wat is het, dat dit gebed zo krachtig maakt? Het gebed van Elia is vrijmoedig. Hij nadert in vertrouwen tot het altaar. En als Elia bidt, dan vraagt hij precies waar het hem om gaat, namelijk om de eer van God. Dit is een gebed zonder eigenbelang. En het is een gebed dat doordrenkt is van diepe afkeer van en weerstand tegen Baäl, tegen de afgoden, tegen de zonde. Het is tegelijkertijd een ootmoedig gebed. Je proeft geen enkele trots. Hij zegt ootmoedig en nederig: ik ben Uw knecht. En het is ook een kort gebed. Het zijn enkele woorden. 
Elia’s gebed is kort, eenvoudig, opkomend uit het hart, gericht op de eer van God en op de zielen van de mensen om hem heen. En wie zo bidt, die mag verwachten dat de HEERE hoort!
Ineens, als een bliksem uit de hemel, valt er vuur uit de hemel! Op wie? Op de mensen? Op de Baälpriesters? Op Elia? Nee, op het offer en op het altaar. En het verteert èn het offerdier èn het hout èn het altaar (de stenen) èn het stof èn het water, kortom: alles!

Elia, nee, God doet als laatste een beroep op het hart van al die Israëlieten. En ik doe het vanmorgen ook. Een beroep op uw hart! Hier op de Karmel zitten duizenden mensen, die de dood hebben verdiend. Kiezen willen ze niet. Ze willen alleen maar regen. Voor hun ogen toont God de grootheid van hun kwaad: ‘Kijk, Mijn altaar is een ruïne. U hebt een puinhoop gemaakt van Mijn dienst.’ En: ‘Ik ben een verterend vuur, een heilige God, die met zonde niets te maken wil hebben.’ En dat vuur van Gods heiligheid bliksemt ten tijde van het avondoffer uit de hemel en treft? Het offer en het altaar… En dát is Evangelie! Dát is Evangelie op de plaats van het oordeel!
Zo trof de hitte van het vuur van Gods heiligheid ten tijde van het avondoffer op Golgotha het Lam van God, de Heere Jezus Christus. God heeft de hitte van Zijn gramschap geblust (uitgedoofd) in het lijden en sterven van Zijn Eniggeliefde Zoon, toen Hij stierf in de plaats van al de Zijnen. En daarom is er nu een weg voor mensen die precies zo zijn als de Israëlieten destijds. Breek toch met de Baäl, met de zonde en kom tot deze Zaligmaker. 

Vuur valt uit de hemel. En toen het volk dat zag, vielen zij op hun aangezichten en zeiden: de HEERE is God, de HEERE is God! Geschrokken, beangstigd en overtuigd door dit indrukwekkende schouwspel.
Elia beveelt hen alle Baälpriesters te doden. Nee, dit is niet het door Elia voorgestelde einde. Dit is hoe God uiteindelijk een einde maakt aan afgoden dienende mensen. Dit is een indringende waarschuwing! Onze God is echt een verterend vuur voor wie van Hem afgaat.
En dus is het (net als in het begin) één van twee: of God, of Baäl…