Bijbeluur 2-6-2024 : 'Vaste rots van mijn behoud' n.a.v. Psalm 73

 

Vaste rots van mijn behoud.

Psalm 73

1 Een psalm van Asaf. Immers is God Israël goed, voor degenen, die rein van hart zijn.

2 Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten. 3 Want ik was nijdig op de dwazen, ziende de vrede van de goddelozen. 4 Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris. 5 Zij zijn niet in de moeite zoals andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd. 6 Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad. 7 Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen van de harten te boven. 8 Zij mergelen de lieden uit, en spreken boos van verdrukking; zij spreken uit de hoogte. 9 Zij zetten hun mond tegen de hemel, en hun tong wandelt op de aarde. 10 Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren van een volle beker worden uitgedrukt, 11 Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij de Allerhoogste? 12 Ziet, deze zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen. 13 Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen. 14 Dewijl ik de ganse dag geplaagd ben, en mijn bestraffing is er elke morgen.

15 Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht van Uw kinderen. 16 Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen; 17 Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte. 18 Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen. 19 Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen! 20 Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.

21 Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd, 22 Toen was ik onvernuftig (= onverstandig), en wist niets; ik was een groot beest bij U. 23 Ik zal dan gedurig bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat; 24 Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. 25 Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde! 26 Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen van mijn hart, en mijn Deel in eeuwigheid. 27 Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert; 28 Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op de Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.

 

 

Vragen:

  1. Heb je opmerkingen/vragen n.a.v. de toespraak over het thema

‘Vaste rots van mijn behoud’ of over het Bijbelgedeelte?

  1. Herken je bij jezelf jaloersheid op anderen? Hoe zou je daar mee om moeten gaan? Hoe zou je dat kunnen voorkomen?  

  1. Waarom begint Asaf zijn psalm met een belijdenis, dat God goed is voor degenen, die rein (zuiver) van hart zijn? Kan een mens wel rein van hart zijn? De Heere Jezus zegt in Mattheüs 15: 19 Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen. Hoe zit dat?

  1. Wat bedoelt Asaf met vers 24: Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.

  1. Noem eens een aantal kenmerken van een rots en kijk dan eens of zo’n kenmerk  ook voor de Heere Jezus geldt.