zondag 27 januari 2019

Discipelschap - Markus 1:16-20.

Samenvatting toespraak zondagmorgen 27-1-2019. Voorganger: evangelist Johan Krijgsman. 
Telefoon 020-6227742; mobiel: 06-83571391. Amsterdam@bijbelcentrum.nl  www.bijsimondelooier.nl

Deze zondag gaat het over ‘discipelschap’ n.a.v. Markus 1:16-20. Een discipel is een leerling, een volgeling. Die van een ander leert. We gaan eerst het verband na waarin Markus 1:16-20 staat.

De woestijn in
In vers 12 lezen we iets opmerkelijks. De Heere Jezus wordt na Zijn doop door de Geest ‘terstond’ naar de woestijn gedreven. Markus zegt dat dit ‘terstond’ gebeurde. Dit is echt Markus. Dat woordje terstond of meteen gebruikt Markus wel 41 maal in zijn Evangelie. Markus heeft haast om bij het lijden, sterven en de opstanding van de Heere Jezus te komen. Dat is het grote hoofddoel van het Evangelie, van de blijde boodschap.

In de woestijn wordt de Heere Jezus door de duivel verzocht. Waarom? God de Vader wil dat Jezus als Mens geoefend wordt in de strijd tegen de duivel. Satan ging Jezus verzoeken, zoals hij ook Adam en Eva in het Paradijs had verzocht. Vanuit het Evangelie van Mattheüs en Lukas weten we dat Hij deze verzoeking glansrijk weerstond. Hij zondigde niet. Daarom dienden de engelen Hem (vers 13b). 
Zo kan de Heere Jezus ook nu hen, die verzocht worden van de duivel, helpen. Hij wil hen te hulp komen. ‘Want in hetgeen Hij Zelf verzocht zijnde geleden heeft, kan Hij dengenen die verzocht worden te hulp komen’  (Hebreeën 2:18). Wat een troost is dit als jij een ware volgeling van de Heere Jezus bent geworden. 

De Heere Jezus werd verzocht in de woestijn. Waarom? De woestijn is een symbool van de wereld waarin wij leven. Wat een verleidingen liggen er op de loer in de wereld. Hoe kun je staande blijven als je geen discipel, volgeling van de Heere Jezus bent geworden? Dan ga je onherroepelijk steeds onderuit. Zelfs ware volgelingen van de Heere Jezus hebben daar nog regelmatig last van. Dat weten ze maar al te goed. Steeds belijden ze dat dan ook voor de Heere.

Jezus’ preek
Na Zijn verzoeking begint de Heere Jezus met Zijn preken. Markus heeft de inhoud van Zijn preken kernachtig samengevat in een korte zin. ‘De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods nabijgekomen; bekeert u en gelooft het Evangelie’  (vers 15). Oftewel: de door God bepaalde en door de profeten voorzegde tijd dat de Heere Jezus zou komen is aangebroken. In Jezus is het Koninkrijk van God nabijgekomen. Daarom was het hoog tijd dat de mensen zich bekeerden. Dat ze zich afkeerden van de zonden. Ze moesten het Evangelie geloven. Zich vastklemmen aan de blijde boodschap dat de Heere Jezus zondaren wil redden. 

Jezus’ boodschap geldt nog steeds. Ook nu geldt onverminderd de oproep om je af te keren van je zonden. De grootste zonde is ons natuurlijk ongeloof. Dat heeft ons tot vijanden van God gemaakt. Geloof Zijn heilbrengende boodschap in Jezus Christus. Laat je redden. Belijd je ongeloof in Jezus voor Jezus. Dat ziet Hij graag. Die tot Hem komt zal Hij beslist niet wegsturen (Johannes 6:37). 

Geroepen
Wat mooi en eenvoudig wordt het eerste werk van Jezus door Markus beschreven. Het begint allemaal op de oever van de Galilese Zee. Ook wel genoemd het meer van Galilea. 
Al wandelend ziet Hij twee broers, Simon (Petrus) en Andréas, met hun visserwerk bezig. Hij roept hen om Hem te volgen. Hij maakt ze discipelen met een taakomschrijving. Jezus zegt: Ik zal maken dat u ‘vissers van mensen’ wordt (vers 16,17).Terstond, of meteen, laten Simon en Andréas hun werk voor wat het is en volgen Jezus. Let wel: Hij zag hen en Hij riep hen. 

Alles in het ‘geestelijke leven’ gaat van Hem uit. Vanaf het begin tot het eind. Niemand ziet vanuit zichzelf heil in Hem en vraagt naar Hem (Jesaja 65:1). 
Als je door Hem wordt geroepen, draal je niet. Je gaat bij Hem in de leer. Het is Zijn manier om mensen door middel van de Bijbel en door Zijn Geest te roepen. Als dat gebeurt, dringt het Woord van de Bijbel je leven binnen. Dan krijg je oog voor je leven dat achter ligt. Dat is een verzondigd, leeg leven. Dat komt terug. Daar schaam je je voor, maar je belijdt dat voor de Heere Jezus (Mattheüs 9:9-13; Lukas 19:1-10). Je vertelt Hem je lege levensverhaal dat achter ligt. Je ‘staat op’ en leeft met Hem en volgt Hem. Dat is pas leven. 

Herhaling
Even later ziet de Heere Jezus weer twee broers, het zijn Jakobus en Johannes (vers 19 en 20). 
Ze zijn met hun vader aan het werk in hun vissersboot. Weer lees je nadrukkelijk dat Jezus hen ziet en roept om Zijn discipel te worden. Ze verlaten hun vader, de knechten en het schip en volgen Jezus. Ze ontvangen een nieuwe taak: discipel, leerling van de Heere Jezus worden. 

Volgeling
De vraag is: hebben wij Zijn ‘stem’ al gehoord? Of met andere woorden: heeft Hij jou aangeraakt? Heb je gehoor gegeven aan Zijn stem? Ben je daardoor een volgeling van Hem geworden? Dan leef je met Hem en voor Hem. Dan zit je bij Hem op ‘school’. Dat is dan niet een momentopname, maar een doorgaand iets. Dat brengt wel strijd tegen de zonden en jezelf met zich mee. Maar voor geen goud wil je dit leven met Hem missen. 
Zijn discipelen blijven levenslang leerling van Hem. Ze leren dingen af en bij. 
Als onze kinderen thuiskomen met hun rapport, zijn we blij als er hoge cijfers op staan. 
Met het rapport dat de Heere geeft aan Zijn discipelen is het net andersom. Daar ga je van de hoogste klas naar de laagste klas. Dat rapport is het ‘beste’ als er allemaal nullen op staan. 
Een discipel van Jezus is het beste eraan toe als hij als een grote nul alles van Jezus leert. Dat proces wordt levenslang geleerd met vallen en opstaan.

Kenmerken van discipelen
Voor alle duidelijkheid wil ik nog acht ‘kenmerken’, eigenschappen, noemen van discipelschap.  

1) Een discipel is gehoorzaam aan het Woord van de Heere Jezus (Johannes 8:31,32). Niet zo nu en dan wanneer het jou uitkomt, maar altijd. In je ene hand naar de wereld luisteren en in de andere hand je Bijbel lezen, kan niet. Alle ruis moet wijken om Hem te gehoorzamen. 
2) Een discipel, een leerling heeft een toegewijd leven. Ze willen er voor Hem zijn. Dat is Jezus radicaal volgen. Dus niet van twee walletjes eten. Niet de wereld wat en Jezus wat, maar Jezus heel je leven geven. ‘Neem mijn leven, laat het Heer, toegewijd zijn aan Uw eer’ is dan je gebed.  
3) Een volgeling van de Heere Jezus heeft een vruchtdragende relatie met Hem. Het volgen van Hem verandert hun leven. Ze gaan vrucht dragen uit Hem en voor Hem. De één meer dan de ander. 
De ene discipel 30, een ander 60 en weer een ander 100-voudige vrucht (Markus 4:8). 
Jezus zegt dat Hij de wijnstok is en Zijn discipelen de ranken. Door veel vruchten te dragen – een zegenrijk leven te leven – wordt de Vader verheerlijkt. Daardoor zul je Zijn discipel zijn en blijven (Johannes 15:1-8).
4) Discipelen van de Heere Jezus zijn vrienden van Hem (Johannes 15:14,15). Echte vrienden hebben geen geheimen voor elkaar en hebben elkaar lief. Discipelen belijden dat ze Hem liefhebben omdat Hij hen eerst heeft liefgehad (1 Johannes 4:19).  
5) Discipelen zijn bezig zijn met een opdracht. Discipelen zijn erop uit anderen discipelen van Jezus te maken (Mattheüs 28:19; Handelingen 1:8). 
6) Een discipel is een persoon met autoriteit. De Heere Jezus zegt tot Zijn discipelen: Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u (Johannes 20:21). Jezus geeft Zijn leerlingen niet het geloof om dat voor zichzelf te houden. Hij zegt: ‘Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken’  (Mattheüs 5:16). 
7) Een leerling van Hem is bezet met dienende liefde. Zoals Jezus. Het is een onbaatzuchtige, wegcijferende liefde. Een liefde die bereid is anderen te dienen zonder iets terug te ontvangen. 
8) Discipelen kennen God en de Heere Jezus (Johannes 10:14,15). Daardoor hebben ze nu al het eeuwige leven (Johannes 17:3). Dit kennen is meer dan verstandelijk kennen. Het is een hartelijk kennen wat ontstaat vanuit de wedergeboorte. Vanuit die Godskennis leren discipelen ook zichzelf steeds meer kennen als ‘vleselijk, verkocht onder de zonde’ (Romeinen 7:14). Maar ook Jezus in Zijn vergevende liefde (Psalm 103:2,3; 1 Johannes 1:7). Een discipel kent zichzelf als een blijvende ‘arme’ zondaar die al zijn geestelijke rijkdom heeft in Christus. De één heeft meer zekerheid van deze geestelijke rijkdom, dan de ander. 

Onderzoek wat je van deze acht eigenschappen van het discipelschap kent. Misschien ken je ze niet in die mate die je graag zou willen. Al ken je er maar iets van. Daar gaat het om. 
Ben jij een ‘gelovige’ en geen discipel? Dat kan niet. Een gelovige is ook discipel. Wie je dan ook bent: bid: laat ook mij een discipel zijn binnen Uw Koninkrijk. Amen.