zondag 2 juni 2019

Tussen Hemelvaart en Pinksteren - Handelingen 1:13 en 14

Samenvatting toespraak zondagmorgen 2-6-2019  Voorganger: evangelist Johan Krijgsman. 
Telefoon 020-6227742; mobiel: 06-83571391. Amsterdam@bijbelcentrum.nl  www.bijsimondelooier.nl
Thema van de toespraak: ‘Tussen Hemelvaart en Pinksteren’ n.a.v. Handelingen 1:13 en 14

We hebben allemaal wel eens gehoord van het gezegde: ‘de hand aan de ploeg slaan’. Dit betekent met voortvarendheid aan het werk gaan. Niet vragen of zeuren, maar beginnen. 
Dit kom je tegen bij de discipelen nadat Jezus naar de hemel is gegaan. Ze gaan doen wat ze moeten doen: bidden om de Heilige Geest. Ze beginnen er gelijk mee. Ze moeten niet blijven staan bij de dingen die gebeurd zijn, maar aan de toekomst denken. Het gaat om de komst van het Koninkrijk van God. Ze hebben de opdracht om er op uit te trekken om het Evangelie te verbreiden. Maar niet eerder dan dat ze de kracht van de Heilige Geest hebben ontvangen. Daarom bidden ze. 

Naar de stad
Direct na de hemelvaart van de Heere Jezus gaan de discipelen naar Jeruzalem. Ze mogen de stad (nog) niet verlaten (Handelingen 1:4). In Jeruzalem moeten ze biddend wachten op de vervulling van de belofte. Daar moeten ze ook beginnen met het evangelisatiewerk. In zo’n zondige stad waar notabene de Heere Jezus veroordeeld is tot de kruisdood. Opmerkelijk! 
Ze laten zo’n zondige stad niet links liggen, omdat de Heere Jeruzalem op het oog heeft. 

Wat een les voor ons. Je hebt mensen die niets met onze grote steden te maken willen hebben. 
Ze willen er niet komen, laat staan wonen. In een stad vind je alleen maar zonden, zeggen ze.  
Neem bijvoorbeeld Amsterdam. Dat wordt wel het Sódom en Gomórra van het Westen genoemd. 
Soms is het nog te begrijpen ook dat er zo over de stad gesproken wordt. 

Positief over de stad
Ondanks dat, spreekt de Bijbel ook positief over de stad. In de Bijbel staan zelfs speciale beloften voor steden. Van de vele voorbeelden noem ik er twee.  
In Psalm 72:16: staat ‘Die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde’. Het gaat hier over de inwoners van Jeruzalem en andere steden. Hier worden maatschappelijke zegeningen, maar vooral geestelijke zegeningen mee bedoeld. 
De stad Korinthe stond bekend als een zondige stad. Toch zegt de Heere dat Hij daar veel kinderen van Hem had wonen (Handelingen 18:10).    
De eeuwige zaligheid wordt in de Bijbel weergegeven met een stad. ‘De stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is’ (Hebreeën 11:10). Jeruzalem is daar een voorbeeld van.
In iedere stad, en overal, gaat het erom dat Hij gediend wordt. Zo moet je ook Psalm 72:16 lezen.

Naar de opperzaal
Als de discipelen in Jeruzalem zijn gekomen, gaan ze naar de opperzaal. Dit kan een bovenvertrek van een huis zijn, of een aparte woning op het dak van een huis. 
Bijbeluitleggers zeggen dat deze opperzaal dezelfde plaats is waar Jezus het Pascha met Zijn discipelen vierde (Lukas 22:11-23). Hoe dan ook, opperzalen waren plaatsen waar gebeden werd en gestudeerd werd in de Bijbel. Men trok zich even terug in de stilte. 

Heb jij ook een ‘opperzaal’ in alle drukte van Amsterdam of elders? Te midden van alle drukte van gezin, werk of studie. Een plaats waar je je even kunt terugtrekken voor gebed en meditatie. Ik vraag niet of je een kind van de Heere bent, maar wel of je een ‘opperzaal’ hebt. Als het goed is kun je niet zonder gebed en meditatie leven. Kun je niet buiten ‘een opperzaal’.      

Een waarschuwing
De discipelen blijven in de opperzaal. Ze worden met name genoemd. Opmerkelijk is dat Petrus als eerste genoemd wordt. Hij is altijd haantje de voorste. Dat is een karaktereigenschap. Hij wordt ook vaak als eerste genoemd bij de namen van de discipelen (Mattheüs 10:2; Lukas 6:14). Dat is ook hier het geval en dat na alles wat er gebeurd is. Hiermee laat de Heere opnieuw zien dat Hij Petrus niet heeft afgeschreven. Petrus mag er weer helemaal bijhoren. Wat een genade. Laten ook wij niet te snel mensen afschrijven. 

Toch missen we een discipel. Het is Judas de verrader van de Heere Jezus. Het is hier in Handelingen een stille waarschuwing tussen de regels door. Als de namen van de discipelen in Mattheüs en Lukas genoemd worden, wordt hij als laatste genoemd. Ook dat is opmerkelijk. In dit geval is het niet: ‘lest best’, maar ‘lest slecht’. Wat een waarschuwing. Ook Judas was door de Heere Jezus geroepen en uitgezonden om te preken en zieken te genezen (Mattheüs 10:5-8; Lukas 6:13). Ook hij mocht er helemaal bijhoren. Toch koos hij er zelf voor om de Heere Jezus te verraden. 
Een mens blijft verantwoordelijk voor zijn daden en wordt alleen maar gered uit genade.  

Deze allen
Wat doen ze in de opperzaal? Ze praten niet over het weer of het laatste nieuws. Ze maken ook geen ruzie wie van hen de belangrijkste is (Lukas 22:24). Dit is de oerzonde tot de dag van vandaag. Zelfs tot in de kerken toe. Zelfs tot in mijn hart toe! Herken je het? 
De discipelen zijn eensgezind bij elkaar. Wat een wonder. Deze allen. Alle elf discipelen met verschillende karakters. De één opvliegerig. De ander een beetje saai. Een ander is een beetje deftig. Weer een ander kijkt eerst de kat uit de boom en ga zo maar door. Maar er is meer. 
Ze bidden en smeken om de Heilige Geest. Ze volharden daarin. Dat is een kenmerk van het geloof. 
Ze bidden en smeken. Daarin zit een opklimming. Smeken is een ernstiger vorm van bidden. 
Smeken is een aanhoudend bidden in het besef het gevraagde ‘onwaardig’ te zijn. Onwaardig: je beleeft iets van: Hij de heilige God en ik de zondaar, passen niet bij elkaar. Ondanks dat kun je het niet laten om te bidden om dat wat beloofd is. Hij wil het beloofde geven alleen om Jezus’ wil. 

Het is als met een kind. Vader kan het wel beloofd hebben, maar dat kind denkt: wie ben ik tegenover vader? Zo lief ben ik niet. Zo’n klein kind kijkt ook tegen vader op. Vader zo groot en ik zo klein. 
Maar wat vader beloofd heeft, dat doet hij. Als vader de smekende oogjes ziet van het kind, kan hij niet weigeren. Zo is het hier. 
Herken je dit bidden en smeken, niet alleen tussen hemelvaart en Pinksteren, maar altijd?  

Ook vrouwen tellen mee
De discipelen zijn niet alleen in de opperzaal. Er zijn ook vrouwen bij. Eén wordt met naam genoemd: Maria, de moeder van de Heere Jezus. Verder moeten we denken aan de echtgenotes van de apostelen die hun mannen begeleiden. Maar ook de vrouwen die Jezus vanaf Galilea waren gevolgd en hadden gediend. Zoals Maria Magdalena, Johanna, Salomé, Maria, de moeder van Jacobus en Joses (Josef), Maria van Klopas en de moeder van Jakobus en Johannes.

Wat een zegen om biddende vrouwen te hebben in een samenkomst. Een vrouw kan zoveel betekenen voor haar man, maar ook in het algemeen. Een vrouw die de HEERE vreest, die zal geprezen worden (Spreuken 31:30). Meisjes en vrouwen: heb je de Heere Jezus al lief? Dan heb je toekomst en kun je een man tot zegen zijn. Wat een eer! In onze tijd van emancipatie wordt dat nog wel eens vergeten. Een vrouw heeft een belangrijke plaats van de Heere ontvangen. Ze is geschapen tot hulp voor haar man en anderen (Genesis 2:18). Dus niet om een sloofje te zijn, maar om ondersteuning en adviezen te geven. Wat een veelvuldige taak en wat een wijsheid heeft een vrouw nodig. Meisjes en vrouwen: zoek die wijsheid bij de Heere Jezus.

Broeders
Naast de vrouwen zijn ook Zijn broeders aanwezig in de opperzaal. Dat kunnen broers van de Heere Jezus zijn geweest, maar ook neven en andere familieleden. Het allerbelangrijkste is dat deze mensen een gemeenschappelijk doel voor ogen hadden. Ze bidden om de beloofde Heilige Geest. 
Wat een zegen als ook wij dat doel voor ogen mogen hebben. Dan bidden en smeken we altijd om de Heilige Geest. We weten het: zonder die Geest kunnen we ons niet bekeren en tot geloof komen. Zonder die Geest kunnen we ook niet groeien in het ware geloof. Altijd blijft het ‘smeekgebed’ nodig: Heere schenk mij de hulp van Uw Heilige Geest om Jezus’ wil, Amen.