zondag 15 september 2019

Dood en leven - 1 Koningen 17:17-24

Samenvatting toespraak zondagmorgen 15-9-2019. Voorganger: evangelist Johan Krijgsman. 
Telefoon 020-6227742; mobiel: 06-83571391. Amsterdam@bijbelcentrum.nl  www.bijsimondelooier.nl
Thema van de toespraak: ‘Dood en leven’ n.a.v. 1 Koningen 17:17-24

Er was vrede en rust in het huis van de weduwe in Zarfath. Toch komt er verandering. 
God beproeft het geloof van Zijn kinderen. Daar gaan we naar luisteren. Het thema verdelen we in:
1) de komst van de dood; 2) de strijd met de dood en 3) de overwinning op de dood.

1) De komst van de dood.
Het geloof roept soms vragen op die alle vertrouwen ondergraven. Kijk maar bij Elía en de weduwe. We hebben gehoord dat Elía naar deze vrouw werd gestuurd. Haar huis stond in Zarfath. 
Een heidense plaats, dichtbij de kust van de Middellandse Zee. 
Wat dat betreft is Elía als het ware een voorloper van Jezus. Ook Hij moet eeuwen later naar dit gebied. Ook Hij ontmoet daar een heidense vrouw. Ook haar geloof werd beproefd (Matth. 15:21-28).      
Toen Elía bij haar kwam, had zij op de dood gerekend. Nog één dag eten en dan sterven wij. 
Toch zorgde de Heere ervoor dat ze niet van honger moesten sterven. Heel anders is het in Israël. Daar sterven de mensen van honger. Wat een tegenstelling. 
Elía had een eigen bovenkamer in dat huis gekregen. Zo kon hij zich in alle rust terugtrekken. 
Ook zullen Elía en de vrouw vaak samen gepraat hebben over de Heere. Dat is tot voordeel van het zwakke geloof van de vrouw geweest.   
Elía zal haar ongetwijfeld ook verteld hebben waaróm hij naar haar toe moest gaan. Dat staat in regelrecht verband met de zonden van Israël. Elía ging niet om de zonden heen. Wat een les. 
Ze hebben het goed met z’n drieën in dat huis. Het Woord van de Heere was er en er was drinken en eten. Wat wil je nog meer? Toch wordt de rust verstoord. Het zoontje van de vrouw wordt ziek en sterft. Wat een slag voor de weduwe. Eerst haar man kwijt en nu ook nog haar enige zoon gestorven. 
De dood heeft zijn intrede gedaan in het huisje te Zarfath. 
Ziekte en dood zijn geen natuurlijke processen, maar gevolgen van de zonden. In het paradijs was geen ziekte en dood. Daar hebben wij de Heere verlaten. Dat is de wortel van alle ellende. 

Hoe reageert de weduwe? Ze reageert op een speciale manier. Ze zegt tegen Elía: Wat heb ik met u te maken? Wat heb ik misdaan, man Gods? Bent u bij mij gekomen om mijn zonden aan het licht te brengen en mijn zoon te doden? 
Het valt op dat ze het niet heeft over Gods wreedheid, maar over haar éigen zonden. 
Daardoor legt ze verband tussen haar lot en haar schuld. Haar geweten spreekt. 
Spreekt ons geweten ook bij alles wat ons overkomt? Of geven we dan God of een ander de schuld? Het is een goed teken als ons geweten nog spreekt. In de regel is het zo dat we de zegeningen gewoon vinden. We danken de Heere er nauwelijks voor. Maar als er ellende komt geven we God de schuld of een ander en niet onszelf.   
Wat een eerbied heeft ze ondanks alles nog voor Elía. In deze situatie spreekt ze hem nog aan met ‘man Gods’. De gesprekken met hem is ze niet vergeten. Ze hebben in ieder geval uitgewerkt dat ze zichzelf als een zondares ziet. Daarom spreekt ze nadrukkelijk over: ‘mijn ongerechtigheid’. 
Daaraan zie je de ontdekkende macht van het Woord. Waar het Woord van zonde en genade gebracht wordt, gebeuren wonderen. Kom daarom onder dat Woord en lees het biddend.

2) De strijd met de dood. 
Hoe reageert Elía hierop? Hij zegt niet veel. Hij beveelt dat ze haar dode zoon aan hem moet geven. Met de dode jongen in zijn armen gaat hij naar zijn kamer. Hij zoekt de eenzaamheid. 
De dood in de armen van de levende Godgetuige. Een grotere tegenstelling is niet denkbaar. 
Elía heeft het er ook zeer moeilijk mee. Daaraan zie je weer dat Elía een gewoon mens was.  
In z’n kamer is hij alleen met God en de dode. Hij legt de jongen op zijn bed. Daarna begint er een geweldige gebedsworsteling. Hij strijdt als het ware met de dood van dat kind. Hij zegt tegen de Heere: ‘HEERE, mijn God, hebt Gij dan ook deze weduwe, bij dewelke ik herberge, zo kwalijk gedaan, dat Gij haar zoon gedood hebt?’ Neen, Elía wil God niet berispen, maar Elía begrijpt het niet. 
Dat Elía de droogte moest aankondigen in Israël, dat kon niet anders. Israël moest van de afgodendienst worden afgetrokken. De afgodendienst zou de ondergang van Israël geworden zijn. Dan zou nooit hét Leven, de Heere Jezus, uit dit volk geboren worden. Dan zou nooit de dood overwonnen kunnen worden door hét Leven. Wat een consequenties! 
Dat deze vrouw, die in de Heere mocht geloven, zoiets overkomt, begrijpt Elía niet. Ook is hij bang dat Gods Naam daardoor gelasterd zal worden. Het zal met zijn verblijf bij de weduwe in relatie worden gebracht. 
Let ook eens op dat hij zegt: ‘ook deze weduwe’. Er waren in Zarfath mensen die door de honger een kind hadden verloren. Déze weduwe had echter brood uit Gods hand ontvangen. Nu is het niet de honger die de dood brengt, maar een ziekte. Nee, Elía kan het niet begrijpen. 

Wat doet Elía verder? Hij strekt zich driemaal uit over de dode jongen. Hij maakt zich één met de jongen, met de dood. Daarbij smeekt hij de HEERE of de jongen weer levend mag worden. 
Wat een geloofsstrijd met de dood. Als Elía in aanraking komt met de dood, is zijn geloof het sterkst. 

Laten we toch nooit lichtvaardig over de dood spreken op een manier van: hij of zij is ‘uitgestapt’. 
De Heere zegt dat de dood de laatste vijand is die teniet moet worden gedaan (1 Korinthe 15:26). Iedereen die wel eens bij een sterfbed heeft gestaan en een doodsstrijd heeft gezien, zal nooit lichtvaardig over de dood spreken. Sterven betekent God ontmoeten en verantwoording afleggen. 
Dat loopt op een eeuwige ondergang uit. Alleen het geloof in Christus redt van de eeuwige dood.
Dit geloof kunnen we niet verdienen door naar de kerk te gaan etc. Dit wordt gegeven uit genade. Zoek toch nú de Heere! 

3) De overwinning op de dood.   
Als je ooit de waarde en noodzaak van het gebed wilt zien, zie je het in deze geschiedenis. 
Wat staat er? ‘En de HEERE verhoorde de stem van Elía; en de ziel van het kind kwam weer in hem, dat het weer levend werd’. Het is zo waar: ‘Bidt en u zal gegeven worden’ (Mattheüs 7:7). 
Dat heeft Elía ook ervaren. Hij vraagt aan de Heere of het kind weer levend mag worden. 
Door dit gebed grijpt Elía als het ware Gods barmhartigheid aan. Het is niet tevergeefs. 
God verhoort zijn gebed en toont opnieuw dat Hij een God van genade is. Het kind leeft weer. 
Elía pakt de jongen en geeft hem aan zijn moeder. Hij zegt: ‘Zie, uw zoon leeft’. 
Elía wil daarmee zeggen: kijk eens, zo almachtig is mijn God.         
Ook Christus is tijdens Zijn leven op aarde verschillende keren geconfronteerd met de dood.  Bijvoorbeeld de opwekking van de jongen te Naïn (Lukas 7:11-17). Treffende overeenkomst: ook een enige zoon van een weduwe. Christus wekt deze jongen op. Daar overwint hét Leven de dood. 

Dit is een afspiegeling van wat de Heilige Geest wil doen in gééstelijk dode zondaren. 
Door de dood tot hét leven. Zo leert de Heere mensen dat ze vanuit zichzelf niet leven met en voor de Heere. Daar valt dan licht over. Wat een zonden zie je dan bij jezelf. Heel je leven staat haaks op Gods wil. Dat wordt de schuld van je leven. Dan voel je dat je zelf het leven met de Heere niet hebt. Je hunkert ernaar. De Bijbel zegt dat we geestelijk dood zijn ‘door de misdaden en zonden’ (Efeze 2:1). Dit te beleven valt niet mee, maar daar laat de Heere het dan ook niet bij. Hij leidt verder. 
Hij verbindt je door het geloof aan dé Levensbron, Jezus. Wat een heerlijkheid zie je dan in Hem. 
Door de dood tot hét Leven. Dit is een les die Gods kinderen nooit te boven komen. Maar, hét Leven overwint de dood. ‘De HEERE doodt en maakt levend’ (1 Samuël 2:6).  
Zo ging het ook met de weduwvrouw. Ze heeft het eerst over haar ongerechtigheden. Daar klaagt ze over met haar dode zoon op haar schoot (vers 18,19). Ze ziet de dood in de ogen. Daarna wordt haar zoon opgewekt. Dan ziet ze het leven. Wat zegt ze dan? ‘Nu weet ik dat gij een man Gods zijt en dat het woord des HEEREN in uw mond waarheid is’ (1 Koningen 17:24). Wist ze dan eerst niet dat Elía een man Gods was? Jawel, dat had ze al beleden (vers 12 en 18). Maar nu mag ze het dieper en intenser belijden. Haar beginnend geloof is sterker geworden. Wat een zegen!

Tussen de dood en de opwekking van de jongen lag het gebed van Elía. Elía was een tussenpersoon. Daarmee is hij een voorbeeld van de grote Tussenpersoon: de Heere Jezus. Alleen door Zijn gebed zullen geestelijk dode zondaren tot leven worden gebracht. Zijn gebed wordt altijd verhoord. 
Daar staan Zijn lijden en sterven aan het kruis en Zijn opstanding uit de dood garant voor. 
Zijn lijden, sterven en opstanding noemen we ook wel Zijn bloed. In dat bloed is hét leven. 
Om dát leven te ontvangen, moet je bij de Levensvorst Zelf zijn. Hij is ‘de Opstanding en het Leven’ (Johannes 11:25). Roep dan tot Hem: ‘Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij!’ (Markus 10:47).

Deze Jezus komt terug. Dan zal Hij álle doden opwekken. 
Onzin, dat kan niet, zeg je? Wie had het voor mogelijk gehouden dat deze jongen werd opgewekt? 
Zo zal Jezus ook iedereen opwekken. Daarna zal Hij een oordeel uitspreken. Wat is het criterium? 
/Het geloof in Hem. ‘Wie in Hem gelooft, (= de Heere Jezus) wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld’ (Johannes 3:18). Mijn taak is u te ‘betuigen (…) de bekering tot God en het geloof in onze Heere Jezus Christus’ (Handelingen 20:21).