Voeten wassen - Johannes 13:2-17

Samenvatting toespraak zondagmorgen 8-3-2020. Voorganger: evangelist Johan Krijgsman. 
Telefoon 020-6227742; mobiel: 06-83571391. Amsterdam@bijbelcentrum.nl  www.bijsimondelooier.nl
Thema van de toespraak: ‘Voeten wassen’ n.a.v. Johannes 13:2-17

Noodzakelijk. 
Vorige week hoorden we hoe Jezus Zijn discipelen voorbereidde op Zijn kruisdood. Na deze ernstige mededeling staat Jezus op en doet de kleren van een slaaf aan. Daarna knielt Hij neer en gaat de voeten van de discipelen wassen, één voor één. Daarna droogt Hij ze af met de doek die Hij omgeslagen had. Niemand van de discipelen zegt iets. Ze weten dat dit normaal door een slaaf wordt gedaan. Het is het minste werk. 
Als de Heere bij Petrus komt om zijn voeten te wassen, wordt de stilte doorbroken. Petrus zegt: ‘Heere, zult Gij mij de voeten wassen?’ (vs. 6). Het lijkt een vraag van bescheidenheid. 
Petrus heeft niet in de gaten dat hij hiermee Jezus van zich af stoot, in de weg staat. 
Jezus zegt tegen Petrus dat hij nu nog niet begrijpt wat Hij doet. Later zal hij het begrijpen (vs. 7). 
Met dit antwoord neemt de onstuimige Petrus geen genoegen. Hij herhaalt nog eens krachtig dat de Heere zijn voeten niet zal wassen in der eeuwigheid. 
Gespierde taal die niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is. Als Petrus echt nederig geweest was, dan had hij niet toegestaan dat de Heere dit slavenwerk deed. Hij had het dan overgenomen. Nu is hij rustig blijven zitten totdat de Heere bij hem komt. Schijnbare nederigheid kan heel hoogmoedig zijn. 
We komen dit overal tegen. In kerk en politiek. Het is één van de zonden van ons als mensen. 

De Heere Jezus reageert heel onderwijzend en liefdevol op Petrus’ onstuimigheid. Als Ik je voeten niet mag wassen, heb je geen deel met Mij, Petrus! Dan hoor je niet bij Mij (vs. 8). 
Dan komt het onstuimige karakter van Petrus opnieuw naar boven. Heere, als het zo ligt, dan moet U niet alleen mijn voeten wassen, maar ook mijn handen en hoofd (9). Geen deel aan Christus, dat is voor Petrus het allerergste wat maar denkbaar is.  

Herken jij dit? Ga niet om deze vraag heen. Beantwoord hem ook niet te impulsief. 
Deel hebben aan de Heere Jezus betekent je ‘leven verliezen.’ Dat wil zeggen: eigen lusten en begeertes moeten er radicaal aan. Christus moet daarvoor door Zijn Heilige Geest veel afbreek- en schaafwerk in geestelijk opzicht verrichten. Weet jij daar vanaf? 
Gods kinderen blijven hun leven lang op de geestelijke leerschool. Hij moet meer worden en ik minder. Dat is een tentamen waarvoor ze steeds weer zakken. 
Deze les gaat Jezus opnieuw aan Petrus leren. Dat is telkens nodig. 

De Heere gebruikt deze voetwassing als een voorbeeld. Het is levensnoodzakelijk om gewassen te worden van onze zonden. Wij worden gewassen – dat is ontvangen van vergeving van onze zonden – door het geloof in Christus. Dat is een geloof dat niet voor het pakken ligt. Dit wordt gegéven als Hij ons door Zijn Heilige Geest aan Hem verbindt. Dan horen we bij de Heere Jezus. 
Het is niet zo dat we dan gelijk op de hoogste sport van het geloof staan. Dit is een heel groeiproces. Vaak met vele geloofstwijfels. Door Woord en Geest wil de Heere ons vastigheid geven. De een leert hiervan ook meer dan een ander. Dit groeiproces leren kennen is wél noodzakelijk en reddend. 

Reddend. 
Na de onstuimige opmerking van Petrus gaat de Heere Jezus hem een liefdevolle les leren. 
‘Die gewassen is, heeft niet van node dan de voeten te wassen, maar is geheel rein’ (vs. 10). 
Met andere woorden: wie zich gewassen heeft, hoeft alleen nog zijn voeten te wassen, hij is al helemaal rein. Wat bedoelt de Heere met deze opmerking? 
Door de stoffige wegen in Israël werden voeten steeds weer vies. Het was nodig deze te wassen als je ging eten. Ook al was je ’s morgens helemaal gewassen.    
Wiens zonden door de Heere Jezus vergeven zijn, is gered. ‘Die is geheel rein’. Die is helemaal gewassen. Zijn vergeving is totaal. Het bloed, het lijden van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden’ (1 Johannes 1:7). Dat staat vast. Deze mensen weten ook dat ze dagelijks zondigen. Daar hebben ze vergeving voor nodig. Déze ‘voeten’ moeten dagelijks nog gereinigd worden. 
De Heere leert Zijn kinderen hiermee dat ze altijd weer besmet raken met de zonden. Dat zit in de wereld en in Zijn kinderen. Dit vindt aansluiting bij elkaar. 

De Heere Jezus zegt hier van bijna al Zijn discipelen dat ze rein zijn. Dat ze vergeving van zonden ontvangen hebben. Ze zijn gered. Dat is opmerkelijk. De Heere weet als geen ander dat Zijn discipelen nog heel zwak zijn in het geloof. Straks als Hij aan het kruis hangt, zullen ze Hem allemaal verlaten. In zichzelf zijn ze nog geestelijk arm, zwak en dwaalziek. Ondanks dit spreekt de Heere Jezus ze reddend toe. Wat een liefde heeft Jezus voor Zijn zwakke kinderen. 


Er ligt ook een waarschuwing achter deze woorden. Hij zegt: ‘Gijlieden zijt rein, doch niet allen (vs. 10). Jullie zijn gered, maar niet allemaal. Zelfs tussen de discipelen is er iemand die niet rein is. 
Een meeloper is. Iemand die het ware geloof mist. 
De discipelen weten niet wie van hen de Heere Jezus bedoelt. Jezus noemt geen naam. Hij wil die ‘onreine’ discipel nog een mogelijkheid geven van inkeer en berouw. Helaas werkt dit niets bij hem uit en volhardt hij in zijn ongeloof. Wij weten dat de Heere Jezus hier het oog heeft op Judas, die Hem ook verraden zal. 
Wat een waarschuwing! Als wij menen een volgeling van Hem te zijn, is het goed om te onderzoeken of we een ware volgeling zijn. 
Na deze dingen doet de Heere Jezus Zijn bovenkleed aan en gaat weer zitten. Hij houdt Zijn discipelen opnieuw een les voor. Wat Hij gedaan heeft, is een voorbeeld voor elke waar gelovige.

Voorbeeldig. 
Zodra Hij zit, vraagt Hij: Begrijpen jullie wat Ik gedaan heb? Jullie noemen Mij altijd Meester en Heere en terecht, want dat ben Ik. Als Ik, jullie Heere en Meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen. Ik heb jullie een voorbeeld gegeven. Ik heb dat voor jullie gedaan en jullie zijn schuldig dit bij elkaar te doen. Ik heb dit gedaan als voorbeeld. Jullie weten dat het voeten wassen het minste werk is. Zover ga Ik uit liefde (vs. 12-15).  
Christus heeft met dit voorbeeld laten zien wat de eigenschappen zijn van een echte discipel. Dat zijn liefde en nederigheid. Hij wil Zijn discipelen van alle tijden leren dat ze elkaar moeten dienen. 
Elkaar helpen. Zelfs in het allerminste. Daarin gaf en geeft Hij Zelf het voorbeeld. Zie onze weektekst. 

Wat een les voor ons allen. Wij hebben de neiging elkaars oren te wassen en niet elkaars voeten. 
Buigen voor die ander, de minste zijn? Dat nooit! Wat een streven is er om maar niet de minste te zijn, maar de meeste. Soms zelfs onder een vrome dekmantel. Deze eigenschap zit ons in het bloed. Wij moeten niet streven, maar sterven aan onze hoogmoed. 
Wat een constatering als de Heilige Geest daarvoor je ogen opent en dat je schuldig wordt. 
Dan krijg je Jezus nodig, Die gekomen is om te dienen. Hij biedt Zijn diensten aan zelfhandhavers aan. Daarin is Hij zelfs zover gegaan dat Hij Zijn leven daarvoor over had. 
Als we deel krijgen aan Jezus, wil je met vallen en opstaan, Zijn voorbeeld volgen. 

De vraag is: hoe sta jij tegenover deze dienende Zaligmaker? Als Hij alles voor je wordt, houd je hoe langer hoe meer op jezelf te dienen. Je krijgt een onlesbare begeerte om in Hem je naaste te dienen met praktische hulp. Maar vooral met het Evangelie van de gekruisigde Heere. Dan ga je Hem aanprijzen. Je gebed is: O Zoon maak mij Uw beeld gelijk. Wie je ook bent: laat je dienen door deze dienende Zaligmaker. Dat is pas leven!